CURSUS DAGVLINDERS.

 

 

 

 

Samengesteld door Stinckens Martin
Vlinderwerkgroep van de stad Bilzen.

 

Inhoud :

 

 

Inleiding :

Met hun mooie kleuren zijn onze dagvlinders de meest aantrekkelijke groep van de ongewervelden.

Helaas zijn ze bij het grote publiek niet echt goed gekend.

In deze cursus proberen we wat dieper in te gaan op deze insecten om de verschillende soorten te leren herkennen ,hun levenswijze

en relaties met de omgeving waarin ze leven en ook om de problemen en de bedreigingen die zij ondervinden te bekijken.


Van alle diersoorten op aarde zijn de insecten het grootste in aantal. In totaal  zijn er meer dan alle andere diersoorten samen.

 

 

Verschil tussen dag en nachtvlinders.

 

Vlinders maken deel uit van de orde van de Lepidoptera. Deze naam is afgeleid van het Grieks en betekent : lepis (schub) en pteron (vleugel).

Met andere woorden : schubvleugeligen.

Dagvlinders hebben steeds een verdikt knopje aan het einde van hun antennes die nooit gevederd zijn.

De antennes van nachtvlinders zijn meer variabel van vorm.

De rusthouding verschilt ook meestal tussen de nacht-en dagvlinders. Dagvlinders plooien bij rust hun vleugels dicht boven

het lichaam terwijl nachtvlinders hun vleugels meer in tentvorm houden en ook soms rond hun lichaam plooien.

 

 

 

 

Bouw van de vlinder.

 

Men kan 3 delen onderscheiden bij de bouw van een vlinder  :

1.de kop
2.Het borststuk
3.Het achterlijf.
Het borststuk en het achterlijf zijn op hun beurt onderverdeeld in verschillende segmenten.

 

 

 

 

 

 

Beschrijving van de 3 onderdelen.

De kop.

Hetgeen het meeste opvalt aan de kop van een vlinder zijn de antennen , de facetogen en de roltong.

Aan de antennes kunnen we dus onze dagvlinders onderscheiden van de nachtvlinders.

De antennens van dagvlinders zijn sprietvormig en eindigen altijd in een verdikt uiteinde.

Het oog bestaat uit 3000 tot 18000 kleine facetten. Dit zijn zeshoekige kegeltjes die elk een deel van de omgeving opnemen.

Het beeld dat de vlinder op die manier krijgt moet er ongeveer uitzien als een mozaÏek. De meeste vlindersoorten kunnende kleuren blauw en groen

waarnemen ,sommige soorten kunnen ook rood zien. Daarbuiten speelt ultaviolet licht een grote rol.

 

A: doorsnede oog
B : Mozaïkbeeld zoals gezien door insectenoog.

 

 

 


Met de roltong zuigen de vlinders nectar op uit de planten. Ze bestaat uit twee naar elkaar toe gedraaide holle buizen.

Als de vlinder uit de pop komt ,zijn deze buizen nog los van elkaar. Ze moeten eerst in elkaar gedraaid worden voor de tong kan gebruikt worden.

De tong moet bijzonder lang zijn om diep in de bloembuizen de nectar te kunnen opzuigen.

 



Het borststuk.

 

Het borststuk bestaat uit 3 segmenten. Elk segment draagt één paar poten. Bij sommige soorten (kleine vos en dagpauwoog) is het

eerste paar gereduceerd tot zogenaamde poetspoten.

 

 

 

Het borststuk bevat ook 4 ,dikwijls zeer kleurige vleugels. Deze bestaan uit een dubbele huidlaag waarop langs de bovenzijde –en onderzijde

zeer kleine schubjes dakpansgewijze ingeplant staan.

Bij aanraking lossen deze schubjes zeer snel wat voor de vlinder een ernstige beschadiging is. De kleuren op de vleugels worden gevormd

door pigmenten of door weerkaatsing van het licht. Bij sommige vlindersoorten treedt door fijne ribbels op de schubben lichtbreking op zodat

de vleugels een weerschijn krijgen (weerschijnvlinders).Bij mannetjes komen vaak geurschubben voor ,  die als een streep over de voorvleugels

heen gerangschikt zijn. Deze geurstreep is donkerder dan de basiskleur van de vleugels zodat ze vrij goed opvalt. De geurstoffen spelen

een grote rol bij het aanlokken van een partner.

 

Het achterlijf.

Het achterlijf bestaat uit 10 segmenten die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Het bevat het merendeel van de spijsverteringsorganen

en de voortplantingsorganen. De geslachtsorganen zitten op het eind van het achterlijf. Bij mannetjes zijn in de anaalpluim

genitaalkleppen te zien ,bij het vrouwtje slechts de top van de legboor. Het achterlijf van het vrouwtje is bovendien dikker en iets

korter dan dat van het mannetje. Bij sommige soorten kunnen we de geslachten duidelijk uit elkaar houden door verschillen in vorm en

kleur van de vleugels. Zo zijn bij de blauwtjes de mannetjes blauw en de vrouwtjes meestal bruin. Het achterlijf bevat talrijke poriën

die in verbinding staan met de trachea ,een primitief ademhalingsstelsel dat we bij de insecten

terugvinden.

 


 

 

Levenscyclus.

Bij insecten onderscheiden we twee grote groepen, de Endopterygota en deExopterygota. De eerste groep zijn insecten die een volledige

gedaantewisseling of metamorfose ondergaan. Hun levenscyclus loopt langsheen vier gescheiden stadia :het ei, de larve, de pop en de adult.

 

         

Links :  levenscyclus van de distelvlinder :een voorbeeld van een volledige gedaantewisseling.(endoptergota).

Rechts :levenscyclus van de harlekijnkoolwants : een voorbeeld van een onvolledige gedaantewisseling.(exopterygota).

Bij de Exopterygota ontbreekt het popstadium, de larve zal bij elke vervelling meer op een adult lijken. Vlinders behoren tot de insecten met

een volledige gedaantewisseling.

Eén of meerdere generaties?

De cyclus ei-rups-pop-imago noemen we een generatie. Sommige vlinders doorlopen deze ontwikkeling éénmaal per jaar, andere soorten kunnen

meerdere generaties per jaar hebben.

Het Oranjetipje vliegt bijv. enkel in het voorjaar (april-juni), terwijl het Boomblauwtje meerdere generaties heeft (maart-augustus). Dat betekent

dus dat de Boomblauwtjes die in april eitjes leggen, ervoor zorgen dat hun nakomelingen reeds eind juni rondvliegen.

Het ei.

Vlinders leggen hun eitjes in regel op de plant waarmee de rupsen zich voeden. Deze plant noemen we de waardplant van de vlinder. Sommige

soorten leggen hun eieren op slechts 1 soort waardplant (bv. Dagpauwoog op brandnetel) andere hebben een heel gamma van

waardplanten (zandoogjes op allerlei grassoorten).

Het uiterlijk van een vlinderei is afhankelijk van de soort, er zijn veel verschillen. De meeste zandoogjes leggen ronde eitjes, die soms een patroon

van stippen of banden hebben. Ook blauwtjes en dikkopjes leggen ronde eitjes. Bij de Kleine vuurvlinder hebben ze een grove honingraatstructuur

aan de buitenkant, die met een loep al zichtbaar wordt. De eitjes van het Oranjetipje en het citroentje zijn lang en smal. Onder aan koolbladeren

vinden we vaak de dunne flesvormige eitjes van het koolwitje. De meeste eitjes zijn wit- of geelachtig als ze worden gelegd, maar kunnen later van kleur veranderen.

 

 

 

 

          

Gemiddeld legt een vlindervrouwtje ca. 200 eitjes, al kan dit sterk verschillen van soort tot soort.

De recordhouders zijn Dagpauwoog, Kleine vos en Groot koolwitje, zij kunnen wel een duizendtal eitjes leggen. De dikkopjes daarentegen leggen doorgaans slechts 100 eitjes.

Het is voor de vlindervrouwtjes erg belangrijk dat de zon voldoende schijnt. Zoniet kunnen de eitjes

in haar achterlijf niet rijpen en is ze niet in staat rond te vliegen, op zoek naar plekken die geschikt zijn voor de eiafzet.

De rups.

 

In het begin zijn de rupsjes niet meer dan enkele millimeters lang en bijna doorzichtig. Pas later krijgen ze een mooie kleur,

vlekken, stekels of haren.

Hierdoor is al aan de rups de vlindersoort herkenbaar. Er zijn verschillende typen rupsen. Bij de meeste dagvlindersoorten zijn

ze wormachtig.

Bij de Kleine pages, de Vuurvlinders en de blauwtjes zijn ze plat en relatief kort zodat ze meer op pissebedden of kleine

slakken lijken.

Rupsen hebben geen roltong maar echte kaken. Ze bewegen zich kruipend voort via 3 paar borst- of echte poten, vier paar

buik- of onechte poten en één paar naschuivers.

                                         

 

 Bouw van de rups

Het rupsstadium is eigenlijk niet meer dan een vreetfase. De rups doet de hele dag niets anders dan eten.

Het grootste deel van hun lichaam bestaat dan ook uit een spijsverteringsstelsel. Na het verorberen van de eischaal

en de dooierresten begint de rups met het eten van plantenmateriaal. Naargelang de soort voedt ze zich met één of meerdere


waardplanten. Gedurende deze vreetfase groeit de rups fenomenaal met een gigantische gewichtstoename

(bv. Koninginnepage 1000 maal gewichtstoename in 2 weken).

Tijdens deze groei ondergaat ze verscheidene vervellingen. De huid van een rups is immers niet zo rekbaar.

Wanneer de rups moet vervellen, stopt ze met eten en blijft ze een tijd (soms enkele uren, soms langer dan een dag) stilzitten

Wanneer de oude rupsenhuid openbarst, zit daaronder al een nieuwe klaar. Oude rupsenhuidjes vinden we zelden, omdat de rups

doorgaans zijn oude huid opeet. Dit vervellingsproces moet een rups vier tot vijfmaal doormaken.

Rupsen zijn bijzonder geliefde hapjes voor verschillende diersoorten. De meeste hebben dan ook een verdedigingsstrategie.

Sommige bevatten gifstoffen. Dit maken ze duidelijk door hun felle kleuren. Andere proberen juist niet op te vallen en hebben

camouflagekleuren met vaak spectaculaire gelijkenis met de omgeving (bv. de rups van het Zwartsprietdikkopje lijkt

precies op het gras waarop hij leeft).

Om niet ten prooi te vallen aan predatoren zoals vogels en kleine zoogdieren of aan parasieten zoals sluipwespen zullen vele rupsen

enkel ’s nachts eten. Overdag verbergen ze zich, bijv. aan de onderzijde van het blad (zoals de rups van de Citroenvlinder dat doet) of in

een zelfgesponnen spinsel in een samengevouwen blad (bijv. Atalanta).

Mensen bestempelen rupsen al gauw als ‘vies’ en ‘schadelijk’. Wanneer men bijvoorbeeld geel-zwarte rupsen op de wortelen in de

moestuin tegenkomt zal men deze prompt verdelgen. Nochtans zijn deze rupsen de larven van de koninginnepage, één van onze

mooiste vlinders. Wie vlinders wil zien, moet rupsen verdragen!

De meeste rupsen leven solitair. Ze eten, groeien, vervellen enkele keren en verpoppen uiteindelijk. Bij sommige soorten leven de rupsen

minstens een deel van hun leven in groepen. Bij de Moerasparelmoervlinder hebben ze een gezamenlijk nest, waarin ze ook

overwinteren. Snelgroeiende rupsen, bijvoorbeeld van de koolwitjes, kunnen soms al na een maand verpoppen.

Bij soorten die als rups overwinteren duurt het circa 10 maanden voor ze verpoppen.

 

Pop

Als de rups volgroeid is gaat ze verpoppen. Hiervoor zoekt ze een speciale plek in de vegetatie op.

De verpopping duurt enkele uren tot dagen. Het begint met een fase, waarin de rups niet meer eet, sloom en stijf wordt.

Op een gegeven moment barst de laatste rupsenhuid open en werkt de pop zich naar buiten.

Ze is dan nog zeer zacht en bewegelijk.

Later verhardt ze. Aan de buitenkant van de pop is al duidelijk de vorm van de vleugels zichtbaar.

Er zijn drie types van poppen:


° De hangende pop (bv. Dagpauwoog) is alleen met haar uiteinde aan een blaadje bevestigd.

° De gordelpop (bv. Oranjetipje) is bovendien met een spindraad om het midden bevestigd. Deze spindraad is al voor de verpopping door

de rups gemaakt.

° De grondpoppen (bv. Heivlinder) liggen vrij tussen de planten of in de bovenste bodemlagen, soms zijn ze ingesponnen tussen de vegetatie.

           

De pop kan geen voedsel meer opnemen en zich niet verplaatsen. Om de kans op predatie te verminderen is zij dan ook meestal goed gecamoufleerd.

Tijdens de popfase vinden er binnenin tal van veranderingen plaats. De organen van de rups worden afgebroken en onder hormonale controle wordt de vlinder opgebouwd. Het pop-stadia duurt anderhalf tot drie weken, bij soorten die als pop overwinteren ruim zeven maanden.

 

 Vlinder

Uiteindelijk gebeurt het wonder der verpopping en komt de vlinder uit. Het lelijke eendje verandert in een prachtige zwaan.

De vleugels zijn vlak na het uitkomen nog opgevouwen en onbruikbaar. De pasgeboren vlinder moet eerst lichaamsvloeistoffen in de vleugeladers

pompen om de aders hun volle lengte te doen verkrijgen en het vleugelvlies daartussen te spannen.

Soms lukt dit niet volledig, zodat de vleugel of vleugeldelen klein en verschrompelt blijven.

Gaat het wel goed en zijn de vleugels vervolgens gedroogd, dan kan hij vliegen. Het vlinderleven duurt, afhankelijk van de soort,

enkele dagen tot enkele weken. Alleen bij de als vlinder overwinterende soorten, kan dit stadia veel langer duren.

 


 

 

Temperatuurregeling

Vlinders zijn, net als alle insecten, koudbloedig. Dit wil zeggen dat ze om actief te kunnen worden eerst door de zon opgewarmd moeten worden.

De meeste soorten voelen zich het best bij een lichaamstemperatuur van rond de 30°C. Daalt die lichaamstemperatuur beneden

de 20°C dan kunnen de meeste soorten niet meer vliegen. Vlinders gebruiken hun vleugels als een soort zonnecollectoren.

Door ze in de zon uit te spreiden en zich zo op te warmen, zijn ze al bij een buitentemperatuur van 13°C in staat te vliegen.

Het is dus belangrijk dat de vlinders beschutten en zonnige plekken in de begroeiing te vinden zijn.

Daarnaast hebben ze ook schaduwplekken nodig om weer af te kunnen koelen als ze te warm worden.

Ook voor de eieren en poppen is een goed microklimaat nodig. Te vochtige omstandigheden leiden tot verschimmeling.

Bij een te lage luchtvochtigheid drogen sommige soorten snel uit.

Oriëntatie

Om geschikte waardplanten, nectarplanten en partners te kunnen vinden, moeten de vlinders zich kunnen oriënteren.

Omdat ze een goed gezichtsvermogen hebben, gebruiken ze hiervoor herkenningspunten in het terrein.

Het is daarom belangrijk dat er voldoende elementen als bosjes en houtsingels aanwezig zijn.

Een typisch voorbeeld van ruimtelijke variatie of structuurkenmerken in de vegetatie zijn de geleidelijke overgangen tussen

vegetatietypes i.p.v. scherpe overgangen.

Een ander voorbeeld is het voorkomen van specifieke herkenningspunten in de vegetatie zoals ‘bruidsbomen’ waar mannetjes

en wijfjes zich verzamelen voor de balts en paringen.

Ook de structuur van grasbegroeiing is van belang. Sommige soorten zoals de kleine vuurvlinder houden

vanaf een hoge bloem hun territorium in de gaten.

Andere, zoals het hooibeestje, gebruiken de verschillen in lang en kort gras om zich te oriënteren.

In gebieden met belangrijke vlinderpopulaties is kleinschaligheid van beheer van doorslaggevend belang.

Een grootschalig, geautomatiseerd beheer leidt tot meer uniforme patronen met minder structurele variatie.

Voedsel

Nectar is voor de meeste vlinders de belangrijkste voedselbron. Een bloemrijke omgeving is dan ook een must voor vlinders.

Slechts een enkele soort, zoals de in Vlaanderen zeer zeldzame Iepepage, verkiest honingdauw die door bladluizen wordt afgescheiden boven nectar.

Alternatieve voedselbronnen zijn sapstromen die voortkomen uit ‘bloedende’ bomen. Rottend fruit lokt ook

altijd veel vlinders, vooral schoenlappers zoals Gehakkelde aurelia. Bosvlinders zoals ijsvogel- en weerschijnvlinders staan gekend om hun rare gewoontes: het likken van zweet, stinkende kazen of zelfs het opnemen van vocht uit rottende kadavers. Soms zie je groepen vlinders op een vochtige of modderige plek op de grond zitten: ze komen drinken en nemen er mineralen op.

Overwintering

Afhankelijk van de soort gebeurt de overwintering als ei, rups, pop of vlinder. Het grootste deel van onze inheemse vlinders overwintert als rups.

De rups zit dan meestal verstopt op een beschutte plaats. Sommige rupsen overwinteren in groep. De rupsen van het geaderd

witje bijvoorbeeld spinnen gezamenlijk een dicht spinsel waarin ze de winter doorbrengen.

Vlinders zoals bijvoorbeeld de Eikepage overwinteren als ei. De volledig ontwikkelde rupsjes zitten in de eischaal af te wachten op de lente.

Pas wanneer het terug warm wordt en er voldoende voedsel voor de rupsen is komen de eitjes uit.

Ongeveer 20% van onze inheemse vlinders overwintert als pop. Dit zijn vooral de vlinders die men al vroeg in het voorjaar kan waarnemen

zoals het oranjetipje en het landkaartje.

De allereerste voorjaarsboden zijn echter de vlinders die als vlinder overwinteren. Zij verbergen zich gedurende

de winter op beschutte plaatsen zoals zolders, holle bomen en houtstapels. Om bevriezing te voorkomen vervangen de vlinders een deel van hun lichaamsvloeistof door een soort ‘anti-vriesvloeistof’, een mengsel van alcohol, eiwitten en zouten. Gedurende deze winterslaap teren de vlinder op hun reserves.Voorbeelden van als vlinder overwinterende soorten zijn de kleine vos en het dagpauwoog.

Een beperkt aantal zal wegtrekken en overwinteren in het Zuiden.

Mobiliteit en dispersie

De mobiliteit van de meeste dagvlindersoorten is gering. Soorten van voedselrijke en meer dynamische milieu’s als de Koolwitjes kunnen zich

makkelijk over vele kilometers verplaatsen. Het merendeel van de soorten is echter zeer honkvast en verplaatst zich gemiddeld niet meer dan 500 meter.

Uitgestrekte landbouwgebieden, gesloten bossen en grote wegen kunnen als barrières werken voor de verbreiding van minder mobiele soorten.

Dit houdt in dat kleine terreinen met een hoge natuurwaarde, die sterk geïsoleerd in bijvoorbeeld agrarisch land liggen, niet herbevolkt kunnen worden als een bepaalde vlindersoort daar toevallig of door een natuurlijke oorzaak uitsterft. Door het geringe verbreidingsvermogen kunnen er immers geen nieuwe vlinders komen. Zij zullen hun vliegterrein niet gauw verlaten. Vlinders van populaties in kleinschalige, samenhangende landschappen met heggen, houtwallen en bloemrijke bermen zijn mobieler. Zij vliegen vaker en over grotere afstanden zodat ze sneller verlaten terreinen kunnen herbevolken.

De meeste mobiele vlindersoorten zijn de trekvlinders. Zij kunnen hier niet overwinteren en bevolken Noordwest-Europa ieder jaar weer vanuit het zuiden.

Het meest bekend zijn de Atalanta en de Distelvlinder, die hier in grote getale kunnen voorkomen. Zij zijn zelfs in staat om de zee over te steken naar Engeland en IJsland.

Predatie

Er zijn vlindersoorten die meerdere honderden of tot duizend eieren afzetten, terwijl de meest bescheiden soorten het altijd nog tot meerdere

dozijnen brengen. als uit al deze eieren vlinders zouden ontwikkelen die op hun beurt weer een zelfde aantal eieren afzetten,

zouden de rupsen een totale kaalvraat veroorzaken en zouden bovendien de vlinders zelf door een gebrek aan geschikte voedselplanten verhongeren.

Een dergelijke ongebreidelde vermeerdering van vlinders wordt echter door verschillende factoren verhinderd.

Zo draagt de mens met de door hen geproduceerde giffen en milieuveranderingen in niet geringe mate aan de decimatie van de vlinders bij.

Tevens zijn er nog tal van natuurlijke vijanden, parasieten en ziekten die de rupsenpopulatie sterk verkleint.

Rupsen zijn voor vogels een zeer gewilde prooi maar ook spitsmuizen, egels, padden en mollen lusten wel een rupsje.

Sluipwespen leggen hun eitjes in een rups. Wanneer deze eitjes uitkomen beginnen ze de rups systematisch van binnen uit levend op te eten.

Ook andere insecten voeden zichzelf en hun jongen met rupsen. Zo slepen zandwespen grote hoeveelheden rupsen naar hun broedgangen

waar ze als voedsel zullen dienen voor de larven.

De vlinders zelf worden weliswaar niet zo sterk bedreigd als de rupsen, maar hebben toch ook hun vijanden.

Ze vallen ten offer aan vogels of blijven in spinnenwebben vastzitten. Ook libellen, roofvliegen, jachtspinnen, kikkers en hagedissen maken jacht op vlinders.

Nachtvlinders worden vooral door vleermuizen verslonden.

 Vlinderrijke biotopen

Bosranden

Een biotoop waar je vaak heel wat vlinders aantreft zijn bosranden en open plekken in het bos. Een voor vlinders interessante bosrand is er één

met een mooie zoomvegetatie (bramen, spork, lijsterbes, kamperfoelie, lage bloeiende planten, …).

Verscheidene vlinders zijn gebonden aan een bosachtige omgeving. Meestal leven de volwassen vlinders aan de bosranden, maar groeien de

waardplanten in de open terreinen rondom de bossen. Deze soorten houden dus van een afwisseling tussen grasland en bos.

Voorbeelden van zulke soorten zijn Bont dikkopje, Oranjetipje, Oranje zandoogje, Bont zandoogje, Citroenvlinder, Landkaartje, Boomblauwtje, enz.

Hooilanden en graslanden

Graslanden kunnen grote aantallen vlinders herbergen. Een voorwaarde is dat de graslanden voor vlinders geschikt zijn: structuurrijk,

met voldoende nectarplanten en liefst ook waardplanten. Dat wil zeggen dat noch kort gemaaide gazons noch sterk bemeste weilanden voor

vlinders aantrekkelijk zijn. Soorten die grassen als waardplant hebben, kunnen in enorme aantallen voorkomen.

Het Bruin zandoogje is hiervan een mooi voorbeeld. Een probleem in droge schrale graslanden is dikwijls de verruiging, die intreedt wanneer er

geen beheer (maaien, grazen, plaggen) meer wordt gevoerd.. Verschillende faktoren zoals vermesting, verstoring,… kunnen verruiging bespoedigen.

Tuinen

Ook (natuurlijke) tuinen kunnen heel wat vlinders lokken. Het gaat nagenoeg steeds om soorten die momenteel niet bedreigd zijn.

Zeldzamere soorten komen doorgaans niet aan hun trekken in de stedelijke omgeving.

Van soorten zoals de Atalanta, Kleine vos, Dagpauwoog, Landkaartje leven de rupsen uitsluitend van brandnetel.

Gehakkelde aurelia en Distelvinder kunnen zich met brandnetel voeden, maar ook met andere planten.

Voor sommige soorten kunnen planten die in de tuin voorkomen als waardplant gebruikt worden: wortelen (Koninginnepage), kolen (witjes),…

Alle ‘tuinvlinders’ maken dankbaar gebruik maken van de aanwezige nectarplanten in tuinen.

Voorbeelden zijn: Atalanta, Distelvinder, Dagpauwoog, Kleine vos, Klein koolwitje, Klein geaderd witje, Groot koolwitje en soms ook Koninginnepage, enz.

Heide

Heidegebieden herbergen doorgaans niet veel vlinders. De soorten die er leven zijn meestal wel aan dit biotoop gebonden. Het gaat vaak om zeldzame soorten die hoge eisen stellen aan hun leefomgeving. Voorbeelden zijn Heideblauwtje, Kommavlinder en Heivlinder. In Vlaanderen is het voorkomen van deze soorten vrijwel tot de Kempen beperkt.

 


 

Waarom er minder vlinders zijn

Vlinders zijn in Vlaanderen sterk achteruitgegaan. Voor de dagvlinders is dat goed geweten, voor de nachtvlinders weten we er veel minder van.

Het zijn niet alleen de zeldzame soorten zoals parelmoervlinders die hier (vrijwel) verdwenen zijn, maar ook de algemene soorten

zoals Dagpauwoog en Citroenvlinder blijken in aantal af te nemen.

De volgende redenen kunnen hiervoor worden aangehaald:

a. Verlies van habitat

Zoals dat voor alle min of meer bedreigde dieren het geval is, zijn heel wat geschikte leefgebieden verdwenen. Dat de toename aan bebouwing en

infrastructuur in Vlaanderen gigantisch is, moet hier niet meer worden uitgelegd. Het is een probleem dat zich nog steeds stelt.

Eén van de weinige populaties Veldparelmoervlinder in de Antwerpse Kempen bevindt zich op een privé-terrein nabij een woonwijk.

Buurtbewoners komen er hun gazonmaaisel storten…

b. Degradatie van habitat

Kwaliteitsverlies door verzuring, vermesting &verdroging De gebieden die er nog zijn, zijn de laatste jaren vaak sterk veranderd door

gewijzigde milieuomstandigheden. Zo is de stikstofdepositie enorm toegenomen, wat resulteert in vergrassende heidegebieden

(pijpestrootje), verruigende graslanden, etc. Die vermesting van de leefgebieden is voor vele vlinders van voedselarme biotopen nefast. Vaak verdwijnen de waardplanten of wijzigt de vegetatie zo sterk dat de vlinder er zich niet thuisvoelt. Ook door verzuring kunnen vegetaties sterk wijzigen. Tenslotte is een verdroging een belangrijke factor. Vooral voor vochtige biotopen zoals natte heidegebieden is dit een belangrijke reden van achteruitgang van vlinders.

c. Kwaliteitsverlies door veranderd beheer

Het kleinschalige beheer dat vroeger eeuwenlang gevoerd werd, is nu vaak verdwenen.

Dit gebeurt soms door gebrek aan kennis, maar vaak ook door gebrek aan middelen én mankrachten. Arbeidsintensief beheer is moeilijk vol te houden. Daardoor gaan graslanden dichtgroeien en verruigen, heidevelden verbossen, etc. Door een gebrek aan kennis kunnen de verkeerde beheermaatregelen worden uitgevoerd: bijv. branden in heideterreinen, wat voor vlinders nefast is. Of het verwijderen van de voor vlinders noodzakelijke nectarbronnen, zoals bramen.

Door grootschalig beheer (vaak machinaal) verdwijnt veel variatie in het landschap.

d. Versnippering

Eén van de belangrijkste problemen is de versnippering van leefgebieden in Vlaanderen.

Vele vlinders moeten nog in kleine stukjes natuurgebied overleven.

Helaas zijn ze vaak niet in staat te migreren van het ene gebied naar het andere.

Kleine populaties zijn daarenboven veel kwetsbaarder en zullen sneller verdwijnen.

Het is dan ook belangrijk dat in het landschap zogenaamde corridors aanwezig zijn: een kleinschalig landbouwgebied met bloemrijke houtkanten is voor een vlinder makkelijker te overbruggen dan een kaal landschap waar enkel maïs geteeld wordt.

 

e. Veranderend klimaat

Het is nog niet erg goed gekend hoe dagvlinders reageren op klimaatsverandering, maar verwacht wordt dat vooral de minder mobiele soorten

wel eens in de problemen zouden kunnen komen door een veranderend klimaat.

Als ze willen migreren, bijv. naar het noorden, stoten ze vaak op onoverbrugbare barrières.

 

 

Vlinders en natuurbeheer

Ruimtelijke variatie in de vegetatie is erg belangrijk voor dagvlinders. Ze verkiezen vaak grensmilieus, m.a.w. overgangen tussen verschillende vegetaties, vb. de geleidelijke overgang van een grasland naar bos (zoom- of mantelvegetatie). Een vlindervriendelijk beheer is als gevolg hiervan vaak kleinschaliger dan een beheer dat zuiver op planten of vogels wordt afgestemd.

Bossen en struwelen

Een vlindervriendelijk bos bestaat uit meer dan bomen alleen: een eenvormig, gesloten bos is heel vlinderarm.

Een voor vlinders aantrekkelijk bos heeft niet alleen een gevarieerde opbouw (het afwisselend voorkomen van een boom-, struik- en kruidlaag),

maar bezit ook veel open plekken, bosweiden, brede bospaden en (vooral !) goed ontwikkelde bosranden (zie onderstaande figuren).

Een bos heeft best geen scherpe grenzen met vb. een grasland: bij een natuurlijke bosrand heb je een geleidelijke

overgang via een bosmantel (bestaande uit struiken en heesters) en een zoomvegetatie (met ruigtekruiden) . De meeste bosvlinders komen in deze overgangszone voor: ze vinden er waard- en nectarplanten en beschutting tegen de wind, en ze kunnen zich langs deze randen verplaatsen. Hier vliegen ook soorten die alleen maar van de beschutting van de bosrand profiteren, maar waarvan de waardplanten (ook) op graslanden staan (Koevinkje, Landkaartje, ...

Het bostype is van ondergeschikt belang (doorgaans is een loof- of gemengd bos wel soortenrijker dan een naaldbos), vooral de bosstructuur is van belang.

Om de vereiste structuur te verkrijgen kan je volgende beheersmaatregelen uitvoeren:

- creëren van open plekken en brede bospaden

- zorgen voor een gevarieerde leeftijdsopbouw en de aanwezigheid van een boom-, struik- en kruidlaag (zodat het bos een opener karakter krijgt)

- ontwikkelen van een mantel- en zoomvegetatie langs bosranden, paden en weiden

- zorgen voor een aangesloten geheel van heggen en houtwallen (voor verplaatsing van  vlinders)

- langs heggen en houtwallen een min. 3 m brede ruigte kruidenvegetatie ontwikkelen (zodat ook graslandvlinders langs deze houtkanten zich kunnen

verplaatsen of er zich vestigen)

Graslanden

Volgende beheersmaatregelen kunnen graslanden voor vlinders aantrekkelijk maken:

- extensief begrazen of, indien dit niet mogelijk is, gefaseerd maaien matig voedselrijke graslanden in juni en in augustus of september maaien,

schrale graslanden alleen in augustus of september maaien

- ruigten (aan de randen) om de 2 tot 4 jaar gefaseerd maaien; ruigten zijn vaak rijk aan nectarplanten

- het maaisel steeds afvoeren, geschikt maaigereedschap gebruiken en bodemberijding zoveel mogelijk vermijden

- bosopslag niet geheel verwijderen (beschutting, oriëntatiepunt)

Veelgestelde vragen

a. Hoeveel vlindersoorten komen er in Vlaanderen voor?

In Vlaanderen werden totnogtoe 68 soorten dagvlinders waargenomen. Helaas is 1/4de van de soorten reeds uitgestorven.

b. Hoe oud wordt een vlinder?

De meeste vlinders zijn geen lang leven beschoren. De gemiddelde levensduur van de meeste vlinders ligt tussen de 7 en de 12 dagen.

De vlinders die als imago overwinteren, zoals dagpauwoog en citroenvlinder, worden wel een jaar oud.

c. Ontwikkelen alle rupsen zich tot vlinders?

Elke vlinder die je ziet heeft al een rupsstadium doorgemaakt. Maar niet alle rupsen zullen zich tot vlinders ontwikkelen.

Als je een rups, kan je best alle poten eens tellen. Je ziet dan drie paar poten aan het borststuk, vervolgens vier paar buikpoten en tenslotte

een paar naschuivers. Als de rups die je gevonden hebt, meer dan vier paar buikpoten heeft,

dan heb je met een schijnrups te maken. Dit is de larve van een bladwesp.

d. Hoe komt het dat er minder vlinders zijn t.o.v. vroeger?

Dagvlinders gaan achteruit omwille van verschillende factoren (zie boven).

Het gebruik van pesticiden, een veranderend landschap met minder kleine landschapselementen, het verdwijnen van en de versnippering van

leefgebieden de achteruitgang van waardplanten (voor bepaalde soorten) door verzuring, vermesting

en verdroging en de afname van nectarplanten zijn bepalende factoren.

e. Hoe reageren vlinders op klimaatopwarming?

Er zijn nog geen opvallende voorbeelden van zuidelijke soorten die zich bij ons vestigen, in tegenstelling tot andere soortgroepen zoals sprinkhanen en libellen.

Wel zien we dat trekvlinders die tot voor kort de winter niet konden overleven in onze regionen, dat nu wel kunnen doen.

De Atalanta is hiervan het beste voorbeeld. In 2007 waren er opvallend veel januari-waarnemingen van deze vlinder.

Daarnaast kunnen vlinders ook vroeger verschijnen. De vliegtijd van sommige soorten valt nu vroeger in het jaar dan enkele decennia geleden
.
f. Hoe krijg ik meer vlinders in mijn tuin?

Tuinen kunnen op diverse manieren worden ingericht om meer vlinders te lokken.

In vlindervriendelijke tuinen vinden we een afwisseling van planten die enerzijds voedsel voor de vlinder

zelf kunnen bieden of anderzijds een voedselbron voor de rupsen zijn. Belangrijk is dat de planten die je kiest niet allemaal tegelijkertijd bloeien. Een spreiding van de bloeiperiode doorheen het jaar (voorjaarsbloeiers en zomerbloeiers) is dan ook aangewezen. Uiteraard moet je ook rekening houden met de standplaatseisen van bepaalde plantensoorten: niet alle planten gedijen bijv. op een zure, droge zandgrond.

 

Onderstaande tabel die werd opgemaakt door de Vlinderstichting en geeft een
overzicht van de top tien nectarplanten.

                  Soort                               Bloeiperiode            Kleur                 Hoogte         

 

1.Vlinderstruik  (Buddleja davidii)       Juli-oktober           Wit, roze & paars,  5-2,5m      

2.Ijzerhard (Verbena bonariensis)         Juni-oktober           Purper                    1.2-1.5m

3.Beemdkroon (Knautia arvensis)        Juni-oktober           Lila                         0.3-0.8m

4.Hemelsleutel(Sedum spectabile)       Augustus-oktober   Roze                       0.3-0.4m

5.Herfstaster(Aster novi-belgii)           Augustus- oktober  Wit                          0.8-1.2m

 

6.Koninginnekruid
(Eupatorium cannabinum)                  Juli-september         Roze                      0.9-1.5m

7.Lavendel(Lavandula ‘Munstead’)   Juni-juli                   Blauwpaars            Ca. 0.5m

8.Vaste muurbloem

  (Erysimum Bowles Mauve)             Maart-oktober          Lila                        Ca. 0.3m

9.Damastbloem

   (Hesperis matronalis)                      Mei-juli                    Lila, wit                 0.5-1.0m

10.Enkelbloemige afrikaantjes

   (Tagetes sp.)                                    Mei-oktober             Geel &oranje         0,2-0,7m

 

 

Bron: Groenendijk, D. & Wolterbeek, T. 2001. Vlinders en libellen: praktisch
natuurbeheer, De Vlinderstichting, KNNV uitgeverij, Utrecht, p. 180.

 

Naast die nectarplanten kan je ook waardplanten in je tuin aanbrengen. Voorbeelden zijn Tuinjudaspenning (Oranjetipje) en Venkel (Koninginnepage).

In een verloren hoekje van de tuin kan je de brandnetelbestrijding op een lager pitje zetten zodat ook Kleine vos of Dagpauwoog kansen krijgen.

 

 

 

Overzicht vlinderfamilies.

 

Dikkopjes (Aardbeivlinder en Zwartsprietdikkopje)


  Grote pages (Koninginnepage)

 

Prachtvlinders (Sleutelbloemvlinder)

 

Vuurvlinders (Bruine vuurvlinder en Kleine vuurvlinder)


Weerschijnvlinders (Kleine weerschijnvlinder)

 

Vossen. (Kleine vos)

 

Zandoogjes (Dambordje - Bruin zandoogje - Oranje zandoogje en Heivlinder)

 

Witjes (Klein geaderd witje – Gele luzernevlinder en Oranjetipje)

 

Kleine pages (Bruine eikepage)

 

Blauwtjes (Icarusblauwtje en Bruin blauwtje)

 

Parelmoervlinders (Purperstreepparelmoervlinder en Veldparelmoervlinder)

 

 Het determineren van vlinders

 

Voor echte beginners die een vlinder correct op naam willen brengen, kan vlinders vangennoodzakelijk zijn. Vlinders zijn immers meestal behoorlijk

mobiel, omdat ze als koudbloedigedieren een sterk vlieggedrag vertonen bij warm weer, dus net dan als wij mensen naarvlinders gaan kijken.

Veel soorten bezoeken de bloemen slechts voor korte tijd en zijnbovendien behoorlijk alert voor bedreigingen.

Dat brengt dus mee dat ze ons meestal niet detijd gunnen om hen rustig op een bloem te gaan bekijken. Daarbij komt dat zeker de

moeilijkere soorten, waarbij een detail het verschil uitmaakt tussen twee soorten, moeten gevangen worden om ze goed op naam te brengen.

Wanneer je echter al wat ervaring opdoet, zal je merken dat je veel vlinders kan herkennenzonder ze te vangen.

Een verrekijker die op korte afstand kan focussen is ook handig.

Het vangen van vlinders lijkt eenvoudig, maar vergt toch wel wat vaardigheid. Alles moet erop gericht zijn om de vlinder in zo een goed mogelijke conditie te bewaren teneinde hemzonder schade terug in de natuur te kunnen laten.

Daarom enkele tips rond vangen:

• Kies voor een net met fijne, soepele gordijnenstof zonder gaatjes. Op die manier worden de poten, noch de vleugels beschadigd.

• Beperk het gebruik van een potjesloep tot de minimumtijd, die nodig is om te determineren en laat de vlinder dan zo snel mogelijk los.

De fladderende vlinder lijkt er meestal onbeschadigd uit te komen, maar verliest er toch heel wat vleugelschubben.

• Kies voor het determineren van een vlinder in een potjesloep een schaduwrijke plaats.

• Sterk fladderende vlinders laat je best onmiddellijk los of plaats je snel op een koele donkere plaats, waar hun lichaamstemperatuur afneemt,

zodat ook hun activiteit vermindert. Dit is niet erg, want in feite creëer je gewoon een tijdelijke nachtsituatie.

• Een potjesloep is niet zo groot. Vermijd dan ook om er grote soorten in te stoppen.

Factoren zoals vliegtijd en biotoop kunnen belangrijke aanwijzingen geven m.b.t. de determinatie.

 

Referenties

- Bink F. 1992. Ecologische atlas van de dagvlinders van Noordwest-Europa.
Uitgeverij Schuyts & Co.
- MAES, D. & VAN DYCK, H. 1999. Dagvlinders in Vlaanderen. Ecologie,
verspreiding en behoud. Stichting Leefmilieu vzw/KBC i.s.m. Instituut voor
natuurbehoud en de Vlaamse vlinderwerkgroep vzw.
- GROENENDIJK, D. & WOLTERBEEK, T. 2001. Praktisch natuurbeheer:
vlinders en libellen, KNNV Uitgeverij.
- WYNHOFF, I., VAN SWAAY, C. & MADE, J. 2000. Veldgids dagvlinders. De
Vlinderstichting, KNNV Uitgeverij.
- BOS, F., BOSVELD, M., GROENENDIJK, D., VAN SWAAY, C., WYNHOFF,
I. 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming.
Nationaal natuurhistorisch museum Naturalis, KNNV uitgeverij.
- VAN HALDER, I., TEN HALLERS T. e.a. 2001. Vlinders in de tuin. KNNVuitgeverij
- WIM VERAGHTERT ,Natuurpunt Educatie VZW
- De Vlinderstichting Wageningen.Kars Veling.