Waarom er minder vlinders zijn

Vlinders zijn in Vlaanderen sterk achteruitgegaan. Voor de dagvlinders is dat goed geweten, voor de nachtvlinders weten we er veel minder van.

Het zijn niet alleen de zeldzame soorten zoals parelmoervlinders die hier (vrijwel) verdwenen zijn, maar ook de algemene soorten

zoals Dagpauwoog en Citroenvlinder blijken in aantal af te nemen.

De volgende redenen kunnen hiervoor worden aangehaald:

a. Verlies van habitat

Zoals dat voor alle min of meer bedreigde dieren het geval is, zijn heel wat geschikte leefgebieden verdwenen. Dat de toename aan bebouwing en

infrastructuur in Vlaanderen gigantisch is, moet hier niet meer worden uitgelegd. Het is een probleem dat zich nog steeds stelt.

Eén van de weinige populaties Veldparelmoervlinder in de Antwerpse Kempen bevindt zich op een privé-terrein nabij een woonwijk.

Buurtbewoners komen er hun gazonmaaisel storten…

b. Degradatie van habitat

Kwaliteitsverlies door verzuring, vermesting &verdroging De gebieden die er nog zijn, zijn de laatste jaren vaak sterk veranderd door

gewijzigde milieuomstandigheden. Zo is de stikstofdepositie enorm toegenomen, wat resulteert in vergrassende heidegebieden

(pijpestrootje), verruigende graslanden, etc. Die vermesting van de leefgebieden is voor vele vlinders van voedselarme biotopen nefast. Vaak verdwijnen de waardplanten of wijzigt de vegetatie zo sterk dat de vlinder er zich niet thuisvoelt. Ook door verzuring kunnen vegetaties sterk wijzigen. Tenslotte is een verdroging een belangrijke factor. Vooral voor vochtige biotopen zoals natte heidegebieden is dit een belangrijke reden van achteruitgang van vlinders.

c. Kwaliteitsverlies door veranderd beheer

Het kleinschalige beheer dat vroeger eeuwenlang gevoerd werd, is nu vaak verdwenen.

Dit gebeurt soms door gebrek aan kennis, maar vaak ook door gebrek aan middelen én mankrachten. Arbeidsintensief beheer is moeilijk vol te houden. Daardoor gaan graslanden dichtgroeien en verruigen, heidevelden verbossen, etc. Door een gebrek aan kennis kunnen de verkeerde beheermaatregelen worden uitgevoerd: bijv. branden in heideterreinen, wat voor vlinders nefast is. Of het verwijderen van de voor vlinders noodzakelijke nectarbronnen, zoals bramen.

Door grootschalig beheer (vaak machinaal) verdwijnt veel variatie in het landschap.

d. Versnippering

Eén van de belangrijkste problemen is de versnippering van leefgebieden in Vlaanderen.

Vele vlinders moeten nog in kleine stukjes natuurgebied overleven.

Helaas zijn ze vaak niet in staat te migreren van het ene gebied naar het andere.

Kleine populaties zijn daarenboven veel kwetsbaarder en zullen sneller verdwijnen.

Het is dan ook belangrijk dat in het landschap zogenaamde corridors aanwezig zijn: een kleinschalig landbouwgebied met bloemrijke houtkanten is voor een vlinder makkelijker te overbruggen dan een kaal landschap waar enkel maïs geteeld wordt.

 

e. Veranderend klimaat

Het is nog niet erg goed gekend hoe dagvlinders reageren op klimaatsverandering, maar verwacht wordt dat vooral de minder mobiele soorten

wel eens in de problemen zouden kunnen komen door een veranderend klimaat.

Als ze willen migreren, bijv. naar het noorden, stoten ze vaak op onoverbrugbare barrières.

 

 

Vlinders en natuurbeheer

Ruimtelijke variatie in de vegetatie is erg belangrijk voor dagvlinders. Ze verkiezen vaak grensmilieus, m.a.w. overgangen tussen verschillende vegetaties, vb. de geleidelijke overgang van een grasland naar bos (zoom- of mantelvegetatie). Een vlindervriendelijk beheer is als gevolg hiervan vaak kleinschaliger dan een beheer dat zuiver op planten of vogels wordt afgestemd.

Bossen en struwelen

Een vlindervriendelijk bos bestaat uit meer dan bomen alleen: een eenvormig, gesloten bos is heel vlinderarm.

Een voor vlinders aantrekkelijk bos heeft niet alleen een gevarieerde opbouw (het afwisselend voorkomen van een boom-, struik- en kruidlaag),

maar bezit ook veel open plekken, bosweiden, brede bospaden en (vooral !) goed ontwikkelde bosranden (zie onderstaande figuren).

Een bos heeft best geen scherpe grenzen met vb. een grasland: bij een natuurlijke bosrand heb je een geleidelijke

overgang via een bosmantel (bestaande uit struiken en heesters) en een zoomvegetatie (met ruigtekruiden) . De meeste bosvlinders komen in deze overgangszone voor: ze vinden er waard- en nectarplanten en beschutting tegen de wind, en ze kunnen zich langs deze randen verplaatsen. Hier vliegen ook soorten die alleen maar van de beschutting van de bosrand profiteren, maar waarvan de waardplanten (ook) op graslanden staan (Koevinkje, Landkaartje, ...

Het bostype is van ondergeschikt belang (doorgaans is een loof- of gemengd bos wel soortenrijker dan een naaldbos), vooral de bosstructuur is van belang.

Om de vereiste structuur te verkrijgen kan je volgende beheersmaatregelen uitvoeren:

- creëren van open plekken en brede bospaden

- zorgen voor een gevarieerde leeftijdsopbouw en de aanwezigheid van een boom-, struik- en kruidlaag (zodat het bos een opener karakter krijgt)

- ontwikkelen van een mantel- en zoomvegetatie langs bosranden, paden en weiden

- zorgen voor een aangesloten geheel van heggen en houtwallen (voor verplaatsing van  vlinders)

- langs heggen en houtwallen een min. 3 m brede ruigte kruidenvegetatie ontwikkelen (zodat ook graslandvlinders langs deze houtkanten zich kunnen

verplaatsen of er zich vestigen)

Graslanden

Volgende beheersmaatregelen kunnen graslanden voor vlinders aantrekkelijk maken:

- extensief begrazen of, indien dit niet mogelijk is, gefaseerd maaien matig voedselrijke graslanden in juni en in augustus of september maaien,

schrale graslanden alleen in augustus of september maaien

- ruigten (aan de randen) om de 2 tot 4 jaar gefaseerd maaien; ruigten zijn vaak rijk aan nectarplanten

- het maaisel steeds afvoeren, geschikt maaigereedschap gebruiken en bodemberijding zoveel mogelijk vermijden

- bosopslag niet geheel verwijderen (beschutting, oriëntatiepunt)

Veelgestelde vragen

a. Hoeveel vlindersoorten komen er in Vlaanderen voor?

In Vlaanderen werden totnogtoe 68 soorten dagvlinders waargenomen. Helaas is 1/4de van de soorten reeds uitgestorven.

b. Hoe oud wordt een vlinder?

De meeste vlinders zijn geen lang leven beschoren. De gemiddelde levensduur van de meeste vlinders ligt tussen de 7 en de 12 dagen.

De vlinders die als imago overwinteren, zoals dagpauwoog en citroenvlinder, worden wel een jaar oud.

c. Ontwikkelen alle rupsen zich tot vlinders?

Elke vlinder die je ziet heeft al een rupsstadium doorgemaakt. Maar niet alle rupsen zullen zich tot vlinders ontwikkelen.

Als je een rups, kan je best alle poten eens tellen. Je ziet dan drie paar poten aan het borststuk, vervolgens vier paar buikpoten en tenslotte

een paar naschuivers. Als de rups die je gevonden hebt, meer dan vier paar buikpoten heeft,

dan heb je met een schijnrups te maken. Dit is de larve van een bladwesp.

d. Hoe komt het dat er minder vlinders zijn t.o.v. vroeger?

Dagvlinders gaan achteruit omwille van verschillende factoren (zie boven).

Het gebruik van pesticiden, een veranderend landschap met minder kleine landschapselementen, het verdwijnen van en de versnippering van

leefgebieden de achteruitgang van waardplanten (voor bepaalde soorten) door verzuring, vermesting

en verdroging en de afname van nectarplanten zijn bepalende factoren.

e. Hoe reageren vlinders op klimaatopwarming?

Er zijn nog geen opvallende voorbeelden van zuidelijke soorten die zich bij ons vestigen, in tegenstelling tot andere soortgroepen zoals sprinkhanen en libellen.

Wel zien we dat trekvlinders die tot voor kort de winter niet konden overleven in onze regionen, dat nu wel kunnen doen.

De Atalanta is hiervan het beste voorbeeld. In 2007 waren er opvallend veel januari-waarnemingen van deze vlinder.

Daarnaast kunnen vlinders ook vroeger verschijnen. De vliegtijd van sommige soorten valt nu vroeger in het jaar dan enkele decennia geleden
.
f. Hoe krijg ik meer vlinders in mijn tuin?

Tuinen kunnen op diverse manieren worden ingericht om meer vlinders te lokken.

In vlindervriendelijke tuinen vinden we een afwisseling van planten die enerzijds voedsel voor de vlinder

zelf kunnen bieden of anderzijds een voedselbron voor de rupsen zijn. Belangrijk is dat de planten die je kiest niet allemaal tegelijkertijd bloeien. Een spreiding van de bloeiperiode doorheen het jaar (voorjaarsbloeiers en zomerbloeiers) is dan ook aangewezen. Uiteraard moet je ook rekening houden met de standplaatseisen van bepaalde plantensoorten: niet alle planten gedijen bijv. op een zure, droge zandgrond.

 

Onderstaande tabel die werd opgemaakt door de Vlinderstichting en geeft een
overzicht van de top tien nectarplanten.

                  Soort                               Bloeiperiode            Kleur                 Hoogte         

 

1.Vlinderstruik  (Buddleja davidii)       Juli-oktober           Wit, roze & paars,  5-2,5m      

2.Ijzerhard (Verbena bonariensis)         Juni-oktober           Purper                    1.2-1.5m

3.Beemdkroon (Knautia arvensis)        Juni-oktober           Lila                         0.3-0.8m

4.Hemelsleutel(Sedum spectabile)       Augustus-oktober   Roze                       0.3-0.4m

5.Herfstaster(Aster novi-belgii)           Augustus- oktober  Wit                          0.8-1.2m

 

6.Koninginnekruid
(Eupatorium cannabinum)                  Juli-september         Roze                      0.9-1.5m

7.Lavendel(Lavandula ‘Munstead’)   Juni-juli                   Blauwpaars            Ca. 0.5m

8.Vaste muurbloem

  (Erysimum Bowles Mauve)             Maart-oktober          Lila                        Ca. 0.3m

9.Damastbloem

   (Hesperis matronalis)                      Mei-juli                    Lila, wit                 0.5-1.0m

10.Enkelbloemige afrikaantjes

   (Tagetes sp.)                                    Mei-oktober             Geel &oranje         0,2-0,7m

 

 

Bron: Groenendijk, D. & Wolterbeek, T. 2001. Vlinders en libellen: praktisch
natuurbeheer, De Vlinderstichting, KNNV uitgeverij, Utrecht, p. 180.

 

Naast die nectarplanten kan je ook waardplanten in je tuin aanbrengen. Voorbeelden zijn Tuinjudaspenning (Oranjetipje) en Venkel (Koninginnepage).

In een verloren hoekje van de tuin kan je de brandnetelbestrijding op een lager pitje zetten zodat ook Kleine vos of Dagpauwoog kansen krijgen.

 

 

 

Overzicht vlinderfamilies.

 

Dikkopjes (Aardbeivlinder en Zwartsprietdikkopje)


  Grote pages (Koninginnepage)

 

Prachtvlinders (Sleutelbloemvlinder)

 

Vuurvlinders (Bruine vuurvlinder en Kleine vuurvlinder)


Weerschijnvlinders (Kleine weerschijnvlinder)

 

Vossen. (Kleine vos)

 

Zandoogjes (Dambordje - Bruin zandoogje - Oranje zandoogje en Heivlinder)

 

Witjes (Klein geaderd witje – Gele luzernevlinder en Oranjetipje)

 

Kleine pages (Bruine eikepage)

 

Blauwtjes (Icarusblauwtje en Bruin blauwtje)

 

Parelmoervlinders (Purperstreepparelmoervlinder en Veldparelmoervlinder)

 

 Het determineren van vlinders

 

Voor echte beginners die een vlinder correct op naam willen brengen, kan vlinders vangennoodzakelijk zijn. Vlinders zijn immers meestal behoorlijk

mobiel, omdat ze als koudbloedigedieren een sterk vlieggedrag vertonen bij warm weer, dus net dan als wij mensen naarvlinders gaan kijken.

Veel soorten bezoeken de bloemen slechts voor korte tijd en zijnbovendien behoorlijk alert voor bedreigingen.

Dat brengt dus mee dat ze ons meestal niet detijd gunnen om hen rustig op een bloem te gaan bekijken. Daarbij komt dat zeker de

moeilijkere soorten, waarbij een detail het verschil uitmaakt tussen twee soorten, moeten gevangen worden om ze goed op naam te brengen.

Wanneer je echter al wat ervaring opdoet, zal je merken dat je veel vlinders kan herkennenzonder ze te vangen.

Een verrekijker die op korte afstand kan focussen is ook handig.

Het vangen van vlinders lijkt eenvoudig, maar vergt toch wel wat vaardigheid. Alles moet erop gericht zijn om de vlinder in zo een goed mogelijke conditie te bewaren teneinde hemzonder schade terug in de natuur te kunnen laten.

Daarom enkele tips rond vangen:

• Kies voor een net met fijne, soepele gordijnenstof zonder gaatjes. Op die manier worden de poten, noch de vleugels beschadigd.

• Beperk het gebruik van een potjesloep tot de minimumtijd, die nodig is om te determineren en laat de vlinder dan zo snel mogelijk los.

De fladderende vlinder lijkt er meestal onbeschadigd uit te komen, maar verliest er toch heel wat vleugelschubben.

• Kies voor het determineren van een vlinder in een potjesloep een schaduwrijke plaats.

• Sterk fladderende vlinders laat je best onmiddellijk los of plaats je snel op een koele donkere plaats, waar hun lichaamstemperatuur afneemt,

zodat ook hun activiteit vermindert. Dit is niet erg, want in feite creëer je gewoon een tijdelijke nachtsituatie.

• Een potjesloep is niet zo groot. Vermijd dan ook om er grote soorten in te stoppen.

Factoren zoals vliegtijd en biotoop kunnen belangrijke aanwijzingen geven m.b.t. de determinatie.

 

Referenties

- Bink F. 1992. Ecologische atlas van de dagvlinders van Noordwest-Europa.
Uitgeverij Schuyts & Co.
- MAES, D. & VAN DYCK, H. 1999. Dagvlinders in Vlaanderen. Ecologie,
verspreiding en behoud. Stichting Leefmilieu vzw/KBC i.s.m. Instituut voor
natuurbehoud en de Vlaamse vlinderwerkgroep vzw.
- GROENENDIJK, D. & WOLTERBEEK, T. 2001. Praktisch natuurbeheer:
vlinders en libellen, KNNV Uitgeverij.
- WYNHOFF, I., VAN SWAAY, C. & MADE, J. 2000. Veldgids dagvlinders. De
Vlinderstichting, KNNV Uitgeverij.
- BOS, F., BOSVELD, M., GROENENDIJK, D., VAN SWAAY, C., WYNHOFF,
I. 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming.
Nationaal natuurhistorisch museum Naturalis, KNNV uitgeverij.
- VAN HALDER, I., TEN HALLERS T. e.a. 2001. Vlinders in de tuin. KNNVuitgeverij
- WIM VERAGHTERT ,Natuurpunt Educatie VZW
- De Vlinderstichting Wageningen.Kars Veling.