Temperatuurregeling

Vlinders zijn, net als alle insecten, koudbloedig. Dit wil zeggen dat ze om actief te kunnen worden eerst door de zon opgewarmd moeten worden.

De meeste soorten voelen zich het best bij een lichaamstemperatuur van rond de 30°C. Daalt die lichaamstemperatuur beneden

de 20°C dan kunnen de meeste soorten niet meer vliegen. Vlinders gebruiken hun vleugels als een soort zonnecollectoren.

Door ze in de zon uit te spreiden en zich zo op te warmen, zijn ze al bij een buitentemperatuur van 13°C in staat te vliegen.

Het is dus belangrijk dat de vlinders beschutten en zonnige plekken in de begroeiing te vinden zijn.

Daarnaast hebben ze ook schaduwplekken nodig om weer af te kunnen koelen als ze te warm worden.

Ook voor de eieren en poppen is een goed microklimaat nodig. Te vochtige omstandigheden leiden tot verschimmeling.

Bij een te lage luchtvochtigheid drogen sommige soorten snel uit.

Oriëntatie

Om geschikte waardplanten, nectarplanten en partners te kunnen vinden, moeten de vlinders zich kunnen oriënteren.

Omdat ze een goed gezichtsvermogen hebben, gebruiken ze hiervoor herkenningspunten in het terrein.

Het is daarom belangrijk dat er voldoende elementen als bosjes en houtsingels aanwezig zijn.

Een typisch voorbeeld van ruimtelijke variatie of structuurkenmerken in de vegetatie zijn de geleidelijke overgangen tussen

vegetatietypes i.p.v. scherpe overgangen.

Een ander voorbeeld is het voorkomen van specifieke herkenningspunten in de vegetatie zoals ‘bruidsbomen’ waar mannetjes

en wijfjes zich verzamelen voor de balts en paringen.

Ook de structuur van grasbegroeiing is van belang. Sommige soorten zoals de kleine vuurvlinder houden

vanaf een hoge bloem hun territorium in de gaten.

Andere, zoals het hooibeestje, gebruiken de verschillen in lang en kort gras om zich te oriënteren.

In gebieden met belangrijke vlinderpopulaties is kleinschaligheid van beheer van doorslaggevend belang.

Een grootschalig, geautomatiseerd beheer leidt tot meer uniforme patronen met minder structurele variatie.

Voedsel

Nectar is voor de meeste vlinders de belangrijkste voedselbron. Een bloemrijke omgeving is dan ook een must voor vlinders.

Slechts een enkele soort, zoals de in Vlaanderen zeer zeldzame Iepepage, verkiest honingdauw die door bladluizen wordt afgescheiden boven nectar.

Alternatieve voedselbronnen zijn sapstromen die voortkomen uit ‘bloedende’ bomen. Rottend fruit lokt ook

altijd veel vlinders, vooral schoenlappers zoals Gehakkelde aurelia. Bosvlinders zoals ijsvogel- en weerschijnvlinders staan gekend om hun rare gewoontes: het likken van zweet, stinkende kazen of zelfs het opnemen van vocht uit rottende kadavers. Soms zie je groepen vlinders op een vochtige of modderige plek op de grond zitten: ze komen drinken en nemen er mineralen op.

Overwintering

Afhankelijk van de soort gebeurt de overwintering als ei, rups, pop of vlinder. Het grootste deel van onze inheemse vlinders overwintert als rups.

De rups zit dan meestal verstopt op een beschutte plaats. Sommige rupsen overwinteren in groep. De rupsen van het geaderd

witje bijvoorbeeld spinnen gezamenlijk een dicht spinsel waarin ze de winter doorbrengen.

Vlinders zoals bijvoorbeeld de Eikepage overwinteren als ei. De volledig ontwikkelde rupsjes zitten in de eischaal af te wachten op de lente.

Pas wanneer het terug warm wordt en er voldoende voedsel voor de rupsen is komen de eitjes uit.

Ongeveer 20% van onze inheemse vlinders overwintert als pop. Dit zijn vooral de vlinders die men al vroeg in het voorjaar kan waarnemen

zoals het oranjetipje en het landkaartje.

De allereerste voorjaarsboden zijn echter de vlinders die als vlinder overwinteren. Zij verbergen zich gedurende

de winter op beschutte plaatsen zoals zolders, holle bomen en houtstapels. Om bevriezing te voorkomen vervangen de vlinders een deel van hun lichaamsvloeistof door een soort ‘anti-vriesvloeistof’, een mengsel van alcohol, eiwitten en zouten. Gedurende deze winterslaap teren de vlinder op hun reserves.Voorbeelden van als vlinder overwinterende soorten zijn de kleine vos en het dagpauwoog.

Een beperkt aantal zal wegtrekken en overwinteren in het Zuiden.

Mobiliteit en dispersie

De mobiliteit van de meeste dagvlindersoorten is gering. Soorten van voedselrijke en meer dynamische milieu’s als de Koolwitjes kunnen zich

makkelijk over vele kilometers verplaatsen. Het merendeel van de soorten is echter zeer honkvast en verplaatst zich gemiddeld niet meer dan 500 meter.

Uitgestrekte landbouwgebieden, gesloten bossen en grote wegen kunnen als barrières werken voor de verbreiding van minder mobiele soorten.

Dit houdt in dat kleine terreinen met een hoge natuurwaarde, die sterk geïsoleerd in bijvoorbeeld agrarisch land liggen, niet herbevolkt kunnen worden als een bepaalde vlindersoort daar toevallig of door een natuurlijke oorzaak uitsterft. Door het geringe verbreidingsvermogen kunnen er immers geen nieuwe vlinders komen. Zij zullen hun vliegterrein niet gauw verlaten. Vlinders van populaties in kleinschalige, samenhangende landschappen met heggen, houtwallen en bloemrijke bermen zijn mobieler. Zij vliegen vaker en over grotere afstanden zodat ze sneller verlaten terreinen kunnen herbevolken.

De meeste mobiele vlindersoorten zijn de trekvlinders. Zij kunnen hier niet overwinteren en bevolken Noordwest-Europa ieder jaar weer vanuit het zuiden.

Het meest bekend zijn de Atalanta en de Distelvlinder, die hier in grote getale kunnen voorkomen. Zij zijn zelfs in staat om de zee over te steken naar Engeland en IJsland.

Predatie

Er zijn vlindersoorten die meerdere honderden of tot duizend eieren afzetten, terwijl de meest bescheiden soorten het altijd nog tot meerdere

dozijnen brengen. als uit al deze eieren vlinders zouden ontwikkelen die op hun beurt weer een zelfde aantal eieren afzetten,

zouden de rupsen een totale kaalvraat veroorzaken en zouden bovendien de vlinders zelf door een gebrek aan geschikte voedselplanten verhongeren.

Een dergelijke ongebreidelde vermeerdering van vlinders wordt echter door verschillende factoren verhinderd.

Zo draagt de mens met de door hen geproduceerde giffen en milieuveranderingen in niet geringe mate aan de decimatie van de vlinders bij.

Tevens zijn er nog tal van natuurlijke vijanden, parasieten en ziekten die de rupsenpopulatie sterk verkleint.

Rupsen zijn voor vogels een zeer gewilde prooi maar ook spitsmuizen, egels, padden en mollen lusten wel een rupsje.

Sluipwespen leggen hun eitjes in een rups. Wanneer deze eitjes uitkomen beginnen ze de rups systematisch van binnen uit levend op te eten.

Ook andere insecten voeden zichzelf en hun jongen met rupsen. Zo slepen zandwespen grote hoeveelheden rupsen naar hun broedgangen

waar ze als voedsel zullen dienen voor de larven.

De vlinders zelf worden weliswaar niet zo sterk bedreigd als de rupsen, maar hebben toch ook hun vijanden.

Ze vallen ten offer aan vogels of blijven in spinnenwebben vastzitten. Ook libellen, roofvliegen, jachtspinnen, kikkers en hagedissen maken jacht op vlinders.

Nachtvlinders worden vooral door vleermuizen verslonden.

 Vlinderrijke biotopen

Bosranden

Een biotoop waar je vaak heel wat vlinders aantreft zijn bosranden en open plekken in het bos. Een voor vlinders interessante bosrand is er één

met een mooie zoomvegetatie (bramen, spork, lijsterbes, kamperfoelie, lage bloeiende planten, …).

Verscheidene vlinders zijn gebonden aan een bosachtige omgeving. Meestal leven de volwassen vlinders aan de bosranden, maar groeien de

waardplanten in de open terreinen rondom de bossen. Deze soorten houden dus van een afwisseling tussen grasland en bos.

Voorbeelden van zulke soorten zijn Bont dikkopje, Oranjetipje, Oranje zandoogje, Bont zandoogje, Citroenvlinder, Landkaartje, Boomblauwtje, enz.

Hooilanden en graslanden

Graslanden kunnen grote aantallen vlinders herbergen. Een voorwaarde is dat de graslanden voor vlinders geschikt zijn: structuurrijk,

met voldoende nectarplanten en liefst ook waardplanten. Dat wil zeggen dat noch kort gemaaide gazons noch sterk bemeste weilanden voor

vlinders aantrekkelijk zijn. Soorten die grassen als waardplant hebben, kunnen in enorme aantallen voorkomen.

Het Bruin zandoogje is hiervan een mooi voorbeeld. Een probleem in droge schrale graslanden is dikwijls de verruiging, die intreedt wanneer er

geen beheer (maaien, grazen, plaggen) meer wordt gevoerd.. Verschillende faktoren zoals vermesting, verstoring,… kunnen verruiging bespoedigen.

Tuinen

Ook (natuurlijke) tuinen kunnen heel wat vlinders lokken. Het gaat nagenoeg steeds om soorten die momenteel niet bedreigd zijn.

Zeldzamere soorten komen doorgaans niet aan hun trekken in de stedelijke omgeving.

Van soorten zoals de Atalanta, Kleine vos, Dagpauwoog, Landkaartje leven de rupsen uitsluitend van brandnetel.

Gehakkelde aurelia en Distelvinder kunnen zich met brandnetel voeden, maar ook met andere planten.

Voor sommige soorten kunnen planten die in de tuin voorkomen als waardplant gebruikt worden: wortelen (Koninginnepage), kolen (witjes),…

Alle ‘tuinvlinders’ maken dankbaar gebruik maken van de aanwezige nectarplanten in tuinen.

Voorbeelden zijn: Atalanta, Distelvinder, Dagpauwoog, Kleine vos, Klein koolwitje, Klein geaderd witje, Groot koolwitje en soms ook Koninginnepage, enz.

Heide

Heidegebieden herbergen doorgaans niet veel vlinders. De soorten die er leven zijn meestal wel aan dit biotoop gebonden. Het gaat vaak om zeldzame soorten die hoge eisen stellen aan hun leefomgeving. Voorbeelden zijn Heideblauwtje, Kommavlinder en Heivlinder. In Vlaanderen is het voorkomen van deze soorten vrijwel tot de Kempen beperkt.