Levenscyclus.

Bij insecten onderscheiden we twee grote groepen, de Endopterygota en deExopterygota. De eerste groep zijn insecten die een volledige

gedaantewisseling of metamorfose ondergaan. Hun levenscyclus loopt langsheen vier gescheiden stadia :het ei, de larve, de pop en de adult.

 

         

Links :  levenscyclus van de distelvlinder :een voorbeeld van een volledige gedaantewisseling.(endoptergota).

Rechts :levenscyclus van de harlekijnkoolwants : een voorbeeld van een onvolledige gedaantewisseling.(exopterygota).

Bij de Exopterygota ontbreekt het popstadium, de larve zal bij elke vervelling meer op een adult lijken. Vlinders behoren tot de insecten met

een volledige gedaantewisseling.

Eén of meerdere generaties?

De cyclus ei-rups-pop-imago noemen we een generatie. Sommige vlinders doorlopen deze ontwikkeling éénmaal per jaar, andere soorten kunnen

meerdere generaties per jaar hebben.

Het Oranjetipje vliegt bijv. enkel in het voorjaar (april-juni), terwijl het Boomblauwtje meerdere generaties heeft (maart-augustus). Dat betekent

dus dat de Boomblauwtjes die in april eitjes leggen, ervoor zorgen dat hun nakomelingen reeds eind juni rondvliegen.

Het ei.

Vlinders leggen hun eitjes in regel op de plant waarmee de rupsen zich voeden. Deze plant noemen we de waardplant van de vlinder. Sommige

soorten leggen hun eieren op slechts 1 soort waardplant (bv. Dagpauwoog op brandnetel) andere hebben een heel gamma van

waardplanten (zandoogjes op allerlei grassoorten).

Het uiterlijk van een vlinderei is afhankelijk van de soort, er zijn veel verschillen. De meeste zandoogjes leggen ronde eitjes, die soms een patroon

van stippen of banden hebben. Ook blauwtjes en dikkopjes leggen ronde eitjes. Bij de Kleine vuurvlinder hebben ze een grove honingraatstructuur

aan de buitenkant, die met een loep al zichtbaar wordt. De eitjes van het Oranjetipje en het citroentje zijn lang en smal. Onder aan koolbladeren

vinden we vaak de dunne flesvormige eitjes van het koolwitje. De meeste eitjes zijn wit- of geelachtig als ze worden gelegd, maar kunnen later van kleur veranderen.

 

 

 

 

          

Gemiddeld legt een vlindervrouwtje ca. 200 eitjes, al kan dit sterk verschillen van soort tot soort.

De recordhouders zijn Dagpauwoog, Kleine vos en Groot koolwitje, zij kunnen wel een duizendtal eitjes leggen. De dikkopjes daarentegen leggen doorgaans slechts 100 eitjes.

Het is voor de vlindervrouwtjes erg belangrijk dat de zon voldoende schijnt. Zoniet kunnen de eitjes

in haar achterlijf niet rijpen en is ze niet in staat rond te vliegen, op zoek naar plekken die geschikt zijn voor de eiafzet.

De rups.

 

In het begin zijn de rupsjes niet meer dan enkele millimeters lang en bijna doorzichtig. Pas later krijgen ze een mooie kleur,

vlekken, stekels of haren.

Hierdoor is al aan de rups de vlindersoort herkenbaar. Er zijn verschillende typen rupsen. Bij de meeste dagvlindersoorten zijn

ze wormachtig.

Bij de Kleine pages, de Vuurvlinders en de blauwtjes zijn ze plat en relatief kort zodat ze meer op pissebedden of kleine

slakken lijken.

Rupsen hebben geen roltong maar echte kaken. Ze bewegen zich kruipend voort via 3 paar borst- of echte poten, vier paar

buik- of onechte poten en één paar naschuivers.

                                         

 

 Bouw van de rups

Het rupsstadium is eigenlijk niet meer dan een vreetfase. De rups doet de hele dag niets anders dan eten.

Het grootste deel van hun lichaam bestaat dan ook uit een spijsverteringsstelsel. Na het verorberen van de eischaal

en de dooierresten begint de rups met het eten van plantenmateriaal. Naargelang de soort voedt ze zich met één of meerdere


waardplanten. Gedurende deze vreetfase groeit de rups fenomenaal met een gigantische gewichtstoename

(bv. Koninginnepage 1000 maal gewichtstoename in 2 weken).

Tijdens deze groei ondergaat ze verscheidene vervellingen. De huid van een rups is immers niet zo rekbaar.

Wanneer de rups moet vervellen, stopt ze met eten en blijft ze een tijd (soms enkele uren, soms langer dan een dag) stilzitten

Wanneer de oude rupsenhuid openbarst, zit daaronder al een nieuwe klaar. Oude rupsenhuidjes vinden we zelden, omdat de rups

doorgaans zijn oude huid opeet. Dit vervellingsproces moet een rups vier tot vijfmaal doormaken.

Rupsen zijn bijzonder geliefde hapjes voor verschillende diersoorten. De meeste hebben dan ook een verdedigingsstrategie.

Sommige bevatten gifstoffen. Dit maken ze duidelijk door hun felle kleuren. Andere proberen juist niet op te vallen en hebben

camouflagekleuren met vaak spectaculaire gelijkenis met de omgeving (bv. de rups van het Zwartsprietdikkopje lijkt

precies op het gras waarop hij leeft).

Om niet ten prooi te vallen aan predatoren zoals vogels en kleine zoogdieren of aan parasieten zoals sluipwespen zullen vele rupsen

enkel ’s nachts eten. Overdag verbergen ze zich, bijv. aan de onderzijde van het blad (zoals de rups van de Citroenvlinder dat doet) of in

een zelfgesponnen spinsel in een samengevouwen blad (bijv. Atalanta).

Mensen bestempelen rupsen al gauw als ‘vies’ en ‘schadelijk’. Wanneer men bijvoorbeeld geel-zwarte rupsen op de wortelen in de

moestuin tegenkomt zal men deze prompt verdelgen. Nochtans zijn deze rupsen de larven van de koninginnepage, één van onze

mooiste vlinders. Wie vlinders wil zien, moet rupsen verdragen!

De meeste rupsen leven solitair. Ze eten, groeien, vervellen enkele keren en verpoppen uiteindelijk. Bij sommige soorten leven de rupsen

minstens een deel van hun leven in groepen. Bij de Moerasparelmoervlinder hebben ze een gezamenlijk nest, waarin ze ook

overwinteren. Snelgroeiende rupsen, bijvoorbeeld van de koolwitjes, kunnen soms al na een maand verpoppen.

Bij soorten die als rups overwinteren duurt het circa 10 maanden voor ze verpoppen.

 

Pop

Als de rups volgroeid is gaat ze verpoppen. Hiervoor zoekt ze een speciale plek in de vegetatie op.

De verpopping duurt enkele uren tot dagen. Het begint met een fase, waarin de rups niet meer eet, sloom en stijf wordt.

Op een gegeven moment barst de laatste rupsenhuid open en werkt de pop zich naar buiten.

Ze is dan nog zeer zacht en bewegelijk.

Later verhardt ze. Aan de buitenkant van de pop is al duidelijk de vorm van de vleugels zichtbaar.

Er zijn drie types van poppen:


° De hangende pop (bv. Dagpauwoog) is alleen met haar uiteinde aan een blaadje bevestigd.

° De gordelpop (bv. Oranjetipje) is bovendien met een spindraad om het midden bevestigd. Deze spindraad is al voor de verpopping door

de rups gemaakt.

° De grondpoppen (bv. Heivlinder) liggen vrij tussen de planten of in de bovenste bodemlagen, soms zijn ze ingesponnen tussen de vegetatie.

           

De pop kan geen voedsel meer opnemen en zich niet verplaatsen. Om de kans op predatie te verminderen is zij dan ook meestal goed gecamoufleerd.

Tijdens de popfase vinden er binnenin tal van veranderingen plaats. De organen van de rups worden afgebroken en onder hormonale controle wordt de vlinder opgebouwd. Het pop-stadia duurt anderhalf tot drie weken, bij soorten die als pop overwinteren ruim zeven maanden.

 

 Vlinder

Uiteindelijk gebeurt het wonder der verpopping en komt de vlinder uit. Het lelijke eendje verandert in een prachtige zwaan.

De vleugels zijn vlak na het uitkomen nog opgevouwen en onbruikbaar. De pasgeboren vlinder moet eerst lichaamsvloeistoffen in de vleugeladers

pompen om de aders hun volle lengte te doen verkrijgen en het vleugelvlies daartussen te spannen.

Soms lukt dit niet volledig, zodat de vleugel of vleugeldelen klein en verschrompelt blijven.

Gaat het wel goed en zijn de vleugels vervolgens gedroogd, dan kan hij vliegen. Het vlinderleven duurt, afhankelijk van de soort,

enkele dagen tot enkele weken. Alleen bij de als vlinder overwinterende soorten, kan dit stadia veel langer duren.