CURSUS DAGVLINDERS.

 

 

 

 

Samengesteld door Stinckens Martin
Vlinderwerkgroep van de stad Bilzen.

 

Inhoud :

 

 

Inleiding :

Met hun mooie kleuren zijn onze dagvlinders de meest aantrekkelijke groep van de ongewervelden.

Helaas zijn ze bij het grote publiek niet echt goed gekend.

In deze cursus proberen we wat dieper in te gaan op deze insecten om de verschillende soorten te leren herkennen ,hun levenswijze

en relaties met de omgeving waarin ze leven en ook om de problemen en de bedreigingen die zij ondervinden te bekijken.


Van alle diersoorten op aarde zijn de insecten het grootste in aantal. In totaal  zijn er meer dan alle andere diersoorten samen.

 

 

Verschil tussen dag en nachtvlinders.

 

Vlinders maken deel uit van de orde van de Lepidoptera. Deze naam is afgeleid van het Grieks en betekent : lepis (schub) en pteron (vleugel).

Met andere woorden : schubvleugeligen.

Dagvlinders hebben steeds een verdikt knopje aan het einde van hun antennes die nooit gevederd zijn.

De antennes van nachtvlinders zijn meer variabel van vorm.

De rusthouding verschilt ook meestal tussen de nacht-en dagvlinders. Dagvlinders plooien bij rust hun vleugels dicht boven

het lichaam terwijl nachtvlinders hun vleugels meer in tentvorm houden en ook soms rond hun lichaam plooien.

 

 

 

 

Bouw van de vlinder.

 

Men kan 3 delen onderscheiden bij de bouw van een vlinder  :

1.de kop
2.Het borststuk
3.Het achterlijf.
Het borststuk en het achterlijf zijn op hun beurt onderverdeeld in verschillende segmenten.

 

 

 

 

 

 

Beschrijving van de 3 onderdelen.

De kop.

Hetgeen het meeste opvalt aan de kop van een vlinder zijn de antennen , de facetogen en de roltong.

Aan de antennes kunnen we dus onze dagvlinders onderscheiden van de nachtvlinders.

De antennens van dagvlinders zijn sprietvormig en eindigen altijd in een verdikt uiteinde.

Het oog bestaat uit 3000 tot 18000 kleine facetten. Dit zijn zeshoekige kegeltjes die elk een deel van de omgeving opnemen.

Het beeld dat de vlinder op die manier krijgt moet er ongeveer uitzien als een mozaÏek. De meeste vlindersoorten kunnende kleuren blauw en groen

waarnemen ,sommige soorten kunnen ook rood zien. Daarbuiten speelt ultaviolet licht een grote rol.

 

A: doorsnede oog
B : Mozaïkbeeld zoals gezien door insectenoog.

 

 

 


Met de roltong zuigen de vlinders nectar op uit de planten. Ze bestaat uit twee naar elkaar toe gedraaide holle buizen.

Als de vlinder uit de pop komt ,zijn deze buizen nog los van elkaar. Ze moeten eerst in elkaar gedraaid worden voor de tong kan gebruikt worden.

De tong moet bijzonder lang zijn om diep in de bloembuizen de nectar te kunnen opzuigen.

 



Het borststuk.

 

Het borststuk bestaat uit 3 segmenten. Elk segment draagt één paar poten. Bij sommige soorten (kleine vos en dagpauwoog) is het

eerste paar gereduceerd tot zogenaamde poetspoten.

 

 

 

Het borststuk bevat ook 4 ,dikwijls zeer kleurige vleugels. Deze bestaan uit een dubbele huidlaag waarop langs de bovenzijde –en onderzijde

zeer kleine schubjes dakpansgewijze ingeplant staan.

Bij aanraking lossen deze schubjes zeer snel wat voor de vlinder een ernstige beschadiging is. De kleuren op de vleugels worden gevormd

door pigmenten of door weerkaatsing van het licht. Bij sommige vlindersoorten treedt door fijne ribbels op de schubben lichtbreking op zodat

de vleugels een weerschijn krijgen (weerschijnvlinders).Bij mannetjes komen vaak geurschubben voor ,  die als een streep over de voorvleugels

heen gerangschikt zijn. Deze geurstreep is donkerder dan de basiskleur van de vleugels zodat ze vrij goed opvalt. De geurstoffen spelen

een grote rol bij het aanlokken van een partner.

 

Het achterlijf.

Het achterlijf bestaat uit 10 segmenten die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Het bevat het merendeel van de spijsverteringsorganen

en de voortplantingsorganen. De geslachtsorganen zitten op het eind van het achterlijf. Bij mannetjes zijn in de anaalpluim

genitaalkleppen te zien ,bij het vrouwtje slechts de top van de legboor. Het achterlijf van het vrouwtje is bovendien dikker en iets

korter dan dat van het mannetje. Bij sommige soorten kunnen we de geslachten duidelijk uit elkaar houden door verschillen in vorm en

kleur van de vleugels. Zo zijn bij de blauwtjes de mannetjes blauw en de vrouwtjes meestal bruin. Het achterlijf bevat talrijke poriën

die in verbinding staan met de trachea ,een primitief ademhalingsstelsel dat we bij de insecten

terugvinden.