Dagvlinders, een Limburgs verhaal.

 

Dagvlinders vormen een belangrijke schakel in de natuur, niet alleen werken de rupsen enorme hoeveelheden planten weg maar ook vormen zij een belangrijke voedselbron voor veel andere dieren. Vlinders spelen ook een rol in de bestuiving van planten. Er zijn zowel soorten met een groot aanpassingsvermogen die in een grote variëteit aan biotopen kunnen overleven, als zeer gespecialiseerde soorten die zich bij de geringste veranderingen niet meer kunnen handhaven. De favoriete leefomgeving is voor iedere soort specifiek. Er zijn vlinders die zich hebben aangepast aan bossen, heidevelden, graslanden, moerassen en meer duinachtige gebieden. Limburg is nog veruit de soortenrijkste Vlaamse provincie. De meeste soorten die in Limburg achteruitgaan, vertonen ook in de rest van Vlaanderen een dalende trend. De bos- en struweelvlinders daarentegen gaan in Limburg vooruit, terwijl ze in de rest van Vlaanderen achteruit gaan. Dat Limburg goed scoort op het vlak van vlinders blijkt uit de resultaten van de vlindertellingen van Natuurpunt. Zowel wat het aantal getelde vlinders als het aantal vlindersoorten betreft. Koninginnepage en kleine vuurvlinder komen vooral in Limburg voor. Ook de citroenvlinder, die het nochtans op Vlaamse schaal niet zo goed doet, scoort het beste in onze provincie. Andere ‘Limburgse soorten’ zijn distelvlinder, gehakkelde aurelia, kleine vos, klein geaderd witje en bruin zandoogje. Provincie Limburg is natuurlijk de meest groene provincie en daardoor voor vlinders het meest interessant. De Kempen bevatten sowieso de meeste bijzondere soorten, zowel door de concentratie van heidegebieden als aan de minder grootschalige landbouw. In Limburg zijn wel zones met intensieve landbouw, maar toch ook grote zones met lage bemestingsdruk. Waar Limburg niet van kan profiteren is de gematigde weersomstandigheden van aan de kust in minder warme jaren zoals 2008. Binnen het project Gemeenten Adopteren Limburgse Soorten (GALS) werden 7 dagvlinders geadopteerd. De Limburgse gemeente hebben zich geëngageerd om actief een bedreigde soort te beschermen. In de actieplannen worden in detail maatregelen beschreven voor de bescherming en monitoring van de geadopteerde soorten. Deze plannen moeten mee leiden tot een actieve bescherming en uitbreiding van de bedreigde dagvlinders. Zo is de heivlinder door Hamont-Achel geadopteerd. Het leefgebied van de heivlinder zijn droge heidegebieden met stuifduinen. Als waardplant verkiest de vlinder schapegras, helm, dravik, zwenkgras en doddengras Het groentje komt in Overpelt nog op een drietal plaatsen in kleine populaties voor. Deze vlinder is gebonden aan graslanden, heide en bosgebieden met een vegetatie van gewone dophei, brem, bosbes, struikhei en sporkehout. De keuze van Kinrooi voor de grote weerschijnvlinder heeft alles te maken met zijn voorkomen in de vochtige bossen van Kempen-broek, met als toplocatie het Stamprooierbroek Heusden-Zolder herbergt een populatie van de kleine ijsvogelvlinder, deze bijzondere soort weet zich in Vlaanderen slechts op enkele plaatsen stand te houden. De vlinder verkiest open plekken in het bos met een vrij hoge luchtvochtigheid, daar waar wilde kamperfoelie te vinden is. Nectar haalt hij uit honingdauw, braam en sporkehout. Voor de prachtige veldparelmoervlinder is Zutendaal nog één van de weinige plaatsen waar hij te vinden is. Deze soort is een mascotte van voedselarme graslanden en bermen met smalle weegbree, margrieten en knoopkruid. Lanaken koos voor het klaverblauwtje omdat het leefgebied van deze met uitsterven bedreigde dagvlinder bijna uitsluitend tot deze gemeente beperkt is. Het klaverblauwtje houdt van schrale bloemrijke en zonovergoten graslanden waar rode klaver bloeit. Met het dwergblauwtje koos Bilzen voor het kleinste dagvlindertje van het land, het valt goed op in het landschap door zijn mooie kleuren. Je treft deze soort nog enkel aan in het zuidoosten van Limburg. Warme, zonnige kommen of laagten met een open meestal vrij korte vegetatie met genoeg wondklaver is hun habitat. Maar Bilzen wil nog een stap verder gaan, en wil deze actie verbreden naar alle soorten vlinders. Dat tracht de stad te bereiken met het project ‘Bilzen vlinderstad’. Het is de bedoeling initiatieven te nemen ter bescherming van de vlinders en dat zoveel mogelijk natuurgebieden, wegbermen, oevers en andere openbare ruimten vlindervriendelijk worden beheerd. Hierbij worden zoveel mogelijk mensen binnen de gemeente betrokken. Vrijwilligers zorgen voor een inventaris. In gemeentelijke aanplantingen worden vlinderstruiken aangeplant. Inwoners worden gemotiveerd om bloemenweiden in te zaaien. Er worden lessenpakketten samengesteld voor scholen, vlinderwandelingen georganiseerd en nog veel meer om de bevolking bewust te maken. Maar ook in onze tuin hoe klein dan ook kunnen we heel wat doen voor onze fladderende vrienden. Vlinders geven niet alleen kleur aan de tuin, maar zijn ook nog graadmeters voor de kwaliteit van onze tuin en de naaste omgeving. Waar veel vlinders voorkomen is het goed met de natuur gesteld. Heb je dus veel vlinders in de tuin, dan is het dus erg leuk om te weten dat je niet alleen een gevarieerde tuin bezit met aantrekkingskracht voor vlinders maar ook nog een tuin met een gezond leefklimaat. De ligging van onze tuin bepaald in grote maten hoeveel vlinders er te zien zijn. De meeste vlinders zijn terug te vinden in tuinen die in open gebied gelegen zijn, en een afnemende vlinderrijkdom treedt op met toenemende graad van verstedelijking. In grote tuinen zijn zowel meer individuen als meer vlindersoorten te zien. In tuinen waar veel vlindermaatregelen toegepast zijn, vinden we ook meer vlinders terug. De aanwezigheid van bloemperk, vijver(tje), kruiden, wilde hoekjes, fruitbomen, inheemse hagen, moestuin en vlinderstruik trekt vlinders aan. Dat zulke maatregelingen wel degelijk effect hebben blijkt nog maar eens uit het feit dat in tuinen met enkel gazon en géén vlindervriendelijke maatregelingen tijdens de Tuinvlindertelling van Natuurpunt gemiddeld slechts 1,7 vlinders en de 1.5 soorten gezien werden. In tuinen met ten minste één vlindervriendelijke maatregel liep het aantal vlinders al meteen op tot respectievelijk 7,2 exemplaren van 3.7 soorten (Verheyen & Vanreusel, 2009)! Om allerlei redenen zijn er veel waardplanten voor de vlinders verdwenen. Vlinders kunnen slechts enkele honderd meters ver vliegen om hun eieren te leggen. De (waard)planten die voor de rupsen als geschikt voedsel dienen moeten in de buurt te vinden zijn. Rupsen zijn nog minder mobiel en ze zijn dikwijls bijzonder kieskeurig. Heel wat waardplanten komen van nature voor in graslanden. Door een stukje van je gazon om te vormen tot een bloemenweide, kan je heel wat waardplanten in je tuin integreren. De meeste soorten kan je ook gewoon in een bloemenborder toepassen of in potten op je terras of balkon zetten. Zandoogjes en dikkopjes gebruiken grassen als waardplant Op droge bodems kan je gewone rolklaver (voor icarusblauwtje) en kruisbloemigen (voor witjes) inzaaien. Op natte bodems kan je kiezen voor pinksterbloemen. Brandnetels zijn meestal niet zo’n geliefde planten in een siertuin. Omdat verschillende vlinders brandnetels als waardplant gebruiken, kan je toch ergens in een hoekje van je tuin een bosje brandnetels laten staan. Je bewijst er alleszins de kleine vos, de dagpauwoog, de atalanta, het landkaartje en de gehakkelde aurelia een dienst mee. Het landkaartje en dagpauwoog zullen vnl. brandnetels kiezen die op een vochtige plek in de halfschaduw groeien tegen een bomen- of struikenrand. Kleine vos verkiest brandnetels in de zon. Niet alleen de rupsen maar ook de vlinders hebben voedsel nodig, ze zijn verzot op nectar. Die nectar vinden ze in bloemen. Inheemse planten hebben over het algemeen meer te bieden dan cultuurplanten. De meeste waardplanten zijn inheemse soorten. Wat nectaraanbod betreft kijken vlinders er helemaal niet naar of het om een inheemse of een uitheemse soort gaat. Zorg ervoor dat er nectar van in het vroege voorjaar tot in de late herfst te vinden is in je tuin. Tijdens de zomermaanden vinden vlinders genoeg voedsel, maar de vroege vlinders zoals kleine vossen en de late vlinders zoals atalanta’s en dagpauwogen hebben soms moeite om voldoende te eten te vinden. In het voorjaar zijn wilg, sleedoorn en hazelaar belangrijke nectarleveranciers, evenals kruidachtige planten zoals groot hoefblad, longkruid, hondsdraf en krokussen. In het najaar zijn hemelsleutel, leverkruid, laatbloeiende vlinderstruiken en klimop belangrijk. Elke tuin is anders van oppervlakte, bodem, bezonning,... De ligging van je tuin, stedelijk of landschappelijk en je plantenrijkdom zal bepalen hoe veel en hoe snel je vlindersoorten aantrekt.